Tekst Gwen van Eijk | Beeld Monique Wijbrands

In de gemeente Oegstgeest zijn al acht jaar geen sociale huurwoningen gebouwd, meldde de Volkskrant recent, en er staat veel minder sociale huur dan het landelijk gemiddelde. De wethouder Wonen lichtte toe dat Oegstgeest “toch een soort luxe suburb” is en dat veel inwoners niet zitten te wachten op sociale huurwoningen. Hoewel het zelden zo expliciet wordt gezegd, is de opmerking van de wethouder tekenend voor hoe we in Nederland zijn gaan kijken naar sociale huurwoningen: als een onaantrekkelijke en onrendabele woonvorm. Liever bouwen gemeenten en projectontwikkelaars middenhuur en duurdere huur- en koopwoningen. Ondertussen hebben woningcorporaties moeite om dakloze mensen en spoedzoekers die door scheiding of verlies van werk een woning nodig hebben, te huisvesten. Voor iedereen die niet als ‘urgent’ wordt aangemerkt zijn de wachtlijsten lang.

Wooncrisis

Hoeveel het veel over woningnood gaat, is de kern van de huidige wooncrisis dat het woonbeleid niet is gebaseerd op huisvesting als basisbehoefte, een grondrecht dat door de overheid moet worden gegarandeerd. In plaats daarvan is ons woonbeleid gericht op woningen als investering of handelswaar en huisvesting als verdienmodel. Eigenwoningbezit wordt door de overheid gepromoot als het hoogste ideaal en gesubsidieerd door tal van belastingvoordelen. Sociale huur is vooral een vangnet geworden voor de laagste inkomensgroepen en mensen die uit instellingen of opvang komen die elders niet terecht kunnen. Particuliere huurders op hun beurt gaan door onvoldoende bescherming gebukt onder woononzekerheid en hoge woonlasten.

In de decennia na de Tweede Wereldoorlog groeide de sociale woningbouw uit tot een brede voorziening, niet enkel voor de allerarmsten maar ook voor de middenklasse. Maar inmiddels is het overheidsbeleid er al decennialang op gericht op de sociale huursector zo klein mogelijk te maken. Stadsgeograaf Cody Hochstenbach spreekt van een ‘ideologisch project’ dat zijn oorsprong kent eind jaren tachtig toen op allerlei beleidsterreinen liberaliseringsmaatregelen werden genomen. Het Rijk wilde bezuinigen en woningbouw meer overlaten aan de markt, wat leidde tot de financiële verzelfstandiging van de toenmalige gemeentelijke woningbedrijven in 1997 – sindsdien noemen we ze woningcorporaties.

Al drie decennia verkopen woningcorporaties een deel van hun bezit aan huurders, starters en beleggers. Tussen 2009-2020 verkochten woningcorporaties in heel Nederland ruim 236.000 woningen, laten cijfers van het Kadaster zien, sinds 2015 steeds vaker aan beleggers. De verkleining van de sociale sector werd doorgezet met in 2013 de invoering van de verhuurdersheffing voor corporaties als bezuinigingsmaatregel en in 2015 de herziening van de Woningwet die corporaties bedong zich te beperken tot het huisvesten van de laagste inkomensgroepen en bijzondere doelgroepen zoals mensen die uit opvang of instellingen komen. En ook veel gemeenten zijn al tijden doelbewust bezig de sociale woningvoorraad te verkleinen, door sociale huurwoningen te slopen onder het mom van de herstructurering van ‘achterstandswijken’, maar zonder sociale huur terug te bouwen in de rijkere wijken.

Gesubsidieerd eigenwoningbezit

Gelijktijdig met de afbraak van de corporatiesector is het eigenwoningbezit sinds de jaren tachtig juist gestimuleerd en gesubsidieerd – denk aan de hypotheekrenteaftrek, het feit dat woningen niet als vermogen worden belast, de belastingvrije schenking en verruiming van hypotheken. Volgens sociaalgeograaf Barend Wind is de overheidspromotie van eigenwoningbezit een belangrijke oorzaak van de groeiende vermogensongelijkheid in Nederland. Ook voor investeerders zijn woningen interessant, om te verhandelen of om te verhuren. In de vier grote steden werd in 2020 een derde van de woningen gekocht door investeerders. Onder Rutte II, voerde onze laatste minister van Wonen, Stef Blok, een campagne om buitenlandse investeerders naar onze woningmarkt te lokken.

Tegelijkertijd ging de overheid steeds minder bescherming bieden aan huurders op de particuliere markt. Een deel van hen komt door strengere inkomenseisen niet meer in aanmerking voor sociale huur, maar heeft niet per se veel te besteden. Bovenop de hoge huurlasten komt woononzekerheid: bijna de helft van de particuliere huurwoningen wordt voor tijdelijke verhuur aangeboden, zo bleek uit onderzoek van Investico en Vers Beton vorig jaar. Hiervan profiteren de verhuurders, want zij kunnen bij elke nieuwe huurder de huurprijs verhogen.

Mensenrechtencrisis

Wat moet er gebeuren? Er moet zeker meer woonruimte bijkomen, door leegstaande panden in gebruik te nemen en waar nodig te bouwen, maar de wooncrisis vereist in de eerste plaats een andere beleidsvisie op huisvesting. Dit is ook de boodschap van de beweging Make The Shift onder leiding van Leilani Farha, voormalig Speciale Rapporteur voor huisvesting van de Verenigde Naties. Zij benadrukt dat de wooncrisis in de eerste plaats een mensenrechtencrisis is: als overheden zich onvoldoende inzetten voor adequate huisvesting voor iedereen dan schenden zij het recht op wonen. Dakloosheid en huisuitzettingen zijn de duidelijkste rechtenschendingen, maar overheden moeten ook woononzekerheid en te hoge woonlasten tegengaan.

Om wonen als grondrecht centraal te stellen, deed ook het Europees Parlement in januari een oproep aan overheden om de ‘financialisering’ van huisvesting te beperken. Het gaat er dan niet om dat niemand meer mag verdienen aan huisvesting, of dat de private markt geen rol meer mag hebben op de woningmarkt. Waar het wel om gaat, is dat alle financiële activiteiten die de beschikbaarheid en betaalbaarheid van woningen aantasten aan banden moeten worden gelegd, zodat de problemen van dakloosheid, te hoge woonlasten en woononzekerheid kunnen worden aangepakt.

Inclusieve stad

De Rotterdamse wethouder Wonen nam het vorig jaar in NRC Handelsblad op voor de hogere inkomensgroepen: “Een inclusieve stad is óók voor starters, middeninkomens die groter willen wonen of voor wie een penthouse wil.” Het recht op wonen vereist inderdaad dat de overheid woonruimte voor iedereen garandeert. Maar de overheid moet daarbij wel bijzondere aandacht hebben voor de aanzienlijke groep mensen die onvoldoende inkomen heeft om op de particuliere markt een woning te huren of kopen. Mensen die een penthouse kunnen betalen, zullen geen moeite hebben om huisvesting te vinden, ongeacht of er voldoende penthouses beschikbaar zijn. Maar omgekeerd zullen mensen met weinig inkomen wél moeite hebben om huisvesting te vinden als er onvoldoende betaalbare woningen zijn.

Woonbeleid dat gebaseerd is op huisvesting als grondrecht heeft per definitie veel aandacht voor het garanderen van betaalbare huisvesting voor mensen met relatief weinig inkomen. Zulk woonbeleid ziet betaalbare en sociale huur (of sociale koop) niet als onaantrekkelijke of onrendabele woonvorm, of als gunst voor de allerarmsten, maar als een verworvenheid van een rijk land dat het recht op huisvesting voor alle inwoners garandeert.

Gwen van Eijk is stadssocioloog en werkt aan de afdeling Criminologie van de Erasmus Universiteit Rotterdam. Ze is mede-initiatiefnemer van Recht op de stad, een actiegroep voor beter en eerlijke woonbeleid in Rotterdam.

advertentie Regenboog Groep

LAAT EEN REACTIE ACHTER

Please enter your comment!
Please enter your name here